Een schrijven van Sint Nicolaas

Adrianus Simonis, wij moeten eens met elkaar spreken!

Aan Adrianus Kardinaal Simonis. Carissime Frater,

“Over de enorme brug van zestienhonderd jaren kom ik voor u staan om met u te bidden, zoals ik lang geleden in trouwe parochie stond.” Zo luiden de beginwoorden van de Saint Nicolas Cantate van Benjamin Britten en met die woorden wil ik ook deze brief aanvangen. Want wij moeten echt eens even met elkander spreken, Adrianus. Omdat ons niet alleen die afstand van zestienhonderd jaren scheidt, maar omdat er, naar ik vrees, tussen ons ook een enorme, schier onoverbrugbare, kloof bestaat in het verstaan van de heilige verhalen van schrift en traditie.

Want wat lees ik in uw aartsbisschoppelijke column in het decembernummer van 1993 van uw bisdomblad?

“Wij moeten de gestalte van Sinterklaas ontdoen van alle buitenissige wonderlijkheden en mythologische voorstellingen als het rijden op daken en afdalen door schoorstenen. Want wanneer de kinderen erachter komen dat de Sint niet bestaat, kan dat ook schadelijk zijn voor het geloof in Jezus, omdat ze nog niet kunnen onderscheiden tussen de authentieke wonderen van Jezus en de legenden romdom Sinterklaas.”

Adrianus, wat maak je me nu? Moet mijn figuur worden ontdaan van buitenissige wonderlijkheden en mythologische voorstellingen als het rijden op daken en afdalen door schoorstenen? Ga nu toch gauw op het dak zitten! Gij die net als ik de herderstaf mag dragen, waar is uw gevoel? En waar is uw verstand?

Waar is uw gevoel voor mysterie? Nooit gehad, als jongetje, dat je bij het vallen van de avond in de straat naar boven keek en ineens dacht dat je achter een schoorsteen een glimp van Sint Nicolaas had opgevangen? Hebt u nog iets van die kinderlijke sens du mystère kunnen behouden, dat geheimzinnige gevoel dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij kunnen dromen en dat de Onzienlijke ons nabij is en ons zegenend vergezelt? Wat die oude Griekse denker zei, dat God boven het dak van ons denken woont, vindt u dat niet treffend uitgebeeld met een heilige die in koninklijk gewaad over het dak rijdt?

En hoe beeldt een sterveling nu die onzichtbare verbindingslijnen tussen hemel en aarde uit? Ach, je kunt van een ladder naar de hemel dromen, je kunt een vurige wagen met vurige paarden door het zwerk laten draven, en je kunt het in de woestijn manna (Hebreeuws voor pepernoten) laten regenen. Je kunt een koor van engelen met harpen en trompetten boven Efrata’s velden In de gloria laten zingen, een ster boven en stal stil laten staan en de Geest Gods als een duif over het water van de Jordaan laten zweven. Je kunt ook in donkre nachten een eenvoudige heilige zoals ik op een wit en edel dier over de daken laten galopperen en zijn knechtje, een knechtje des Heren, door de schoorsteen uit den hoge laten afdalen om kleine geschenken van liefde voor huiselijke haard te deponeren. Is het één nu echt zoveel buitenissiger dan het andere, Adrianus?

En waar is uw gevoel voor taal? Hoort u nu werkelijk niet hoe de legenden die om mij geweven zijn en de verhalen die ons van Abraham en Sara en Mozes en David en Maria en Jezus en Petrus en Franciscus zijn overgeleverd, allen eenzelfde taal spreken? Het is de taal van de mythe, broeder Adrianus, de taal van de poëzie, want alleen in die taal kan het onzegbare worden gezegd.

Neem nu bij voorbeeld de visionaire ervaring van Mozes, die een braambos zag branden dat niet werd verteerd. Het is, dat zult u toch met mij eens zijn, een mythologische voorstelling. De vraag waar alles nu om draait is wat die voorstelling voorstelt. Want waarom is het Mozes die dat braambos ziet branden en waarom ziet hij uitgerekend een braambos branden en waarom ziet hij het branden en waarom wordt het niet verteerd? Anders gezegd: waarom heeft de verteller deze beelden gekozen en geen andere, wat wil hij er ons mee openbaren? En waarom schrijft hij aan het slot van zijn verhaal, wanneer Mozes, oud en van dagen verzadigd, is gestorven en het vuur van God dat in hem brandde is gedoofd, dat God zijn dienstknecht Eigenhandig heeft begraven? Het is een buitenissige wonderlijkheid als je zo’n mythologische voorstelling letterlijk neemt, maar het is wondermooie troost als je het verslaat als beeld van Gods trouw in tijd en eeuwigheid.

In al die verhalen, Eminentie, over Noach die de regenboog van God ten geschenke kreeg, over de onvruchtbare Sara die hoogbejaard een zoon baarde, over Elia die in een wagen hoog boven de daken (ik doe hem dat niet na!) ten hemel voer, over Jezus die water in wijn veranderde, over Petrus die doden opwekte, over Franciscus die een boze wolf bekeerde en over mij, Nicolaas van Myra, die alziende en alomtegenwoordig de zonde niet toerekent maar mild en gul zijn zoete gaven rondstrooit waar hij maar kan – in al die verhalen, Adrianus, gaat het niet om wat er letterlijk staat maar om wat er in geopenbaard wordt. Gods goedheid wordt er in verkondigd en óók dat wat onmogelijk is bij de mensen mogelijk is bij God. Daarom worden die verhalen over de grote bijbelse gestalten en over de heiligen ons voorgegaan doorverteld van geslacht op geslacht. En daarom ook gaan vaders en moeders dapper door met de eeuwenoude legenden te vertellen die over mij de ronde doen. Want hoe geseculariseerd ze verder ook mogen zijn, in een verdoken hoek van hun ziel beseffen ze nog wel dat die verhalen getuigen van de liefde Gods.

Verzet je er toch niet tegen, Adrianus! Dat hebben eertijds domme dominees ook al gedaan, maar ze hebben zich alleen maar belachelijk gemaakt:

“Het is een sotte en ongefondeerde maniere van de kinderen haare schoenen met allerley snoeperië ende slickerdemick te vullen. Wat is dit anders als op de hoochten geoffert ende geroockt? Die sulse doen en verstaen nog niet wat de ware Religie is.”

Antipaapse stupiditeit van protestantse praatjesmakers, die meenden de ware Religie in pacht te hebben! Maar makker, waarom brengt gij nu plotseling ook zulk wild geraas voort? Het is een spel, Adrianus, een heilig en feestelijk spel voor jong en oud!

Ouders zien er ook tegen op hun kind te vertellen dat ik niet besta. Waarom? Omdat zij naar hun gevoel hun kind iets kostbaars afpakken. Zij verdrijven hun kind uit zijn eerste argeloosheid en ze weten dat er zo nog vele ontnuchteringen zullen volgen. Misschien zal het kind op den duur wel àlle sens du mystère verliezen en gaat het, ontdaan van alle mythologie, in platland wonen. Dáár zijn die ouders bang voor.

Ik weet het, dat is waar u ook bang voor bent, Adrianus, en dat siert u. Maar als ge u nu eens aan wijze ouders spiegelde. Want wijze ouders zullen nooit volstaan met de louter negatieve mededeling dat ik niet besta. Natuurlijk, ik besta niet. Maar tegelijk ben ik onsterfelijk. Dat is een mysterie, en wijze ouders dragen dat mysterie over.

Ik weet van een meisje dat toen ze vijf jaar oud was zei: “Ik weet waarom Sinterklaas niet doodgaat. Omdat hij zo lief is.” Dat meisje van vijf is inmiddels een volwassen vrouw geworden, maar als het goed is, neemt zij die uitspraak nog steeds voor haar rekening. Niet omdat zij een kind is gebleven maar omdat zij, naar het woord van Jezus, weer als een kind is geworden. Uit de kinderkamer van de eerste argeloosheid is zij verdreven, maar in de volwassen behuizing van een tweede argeloosheid kan zij veilig wonen.

Denk ook maar niet dat zij als moeder ooit op het onzalige idee zal komen haar kinderen te beroven van hun besef van de realiteit van het paradijsverhaal met de onzinnige mededeling dat Adam en Eva niet hebben bestaan. Zoals zij zich er ook voor zal hoeden om domweg te melden dat Jezus niet over het water kan wandelen en ik niet over het dak. Want ze weet met haar hart en met haar hoofd dat dat negatieve uitspraken zijn, die op generlei wijze recht doen aan de schoonheid en waarheid en authenticiteit van die kostbare oude verhalen.

Ja, en dat brengt me bij mijn pijnlijke slotvraag, Adrianus: waar is uw verstand? Want wat bedoelt u nu precies met ‘authenticiteit’? U bent bang dat kinderen later niet het onderscheid kunnen maken “tussen de authentieke wonderen van Jezus en de legenden rondom Sinterklaas.” Nu is het mijn beurt om bang te zijn. Bedoelt u daarmee dat Jezus wèl kon toveren en ik niet? In dat geval moeten we oprecht hopen dat uw vrees wordt bewaarheid en dat de kinderen van uw diocees dat onderscheid later inderdaad niet kunnen maken! Anders hebt ge naar alle waarschijnlijkheid òf fundamentalisten gekweekt òf kerkverlaters. Begrijpt U het een beetje? En anders is er toch wel een theoloog in de buurt die U dat op de Maliebaan even wil komen uitleggen?

Zal ik u vertellen wat Zwarte Piet zei, toen hij uw stukje had gelezen? Hij zei: “Eenmaal dom is dom, tweemaal dom is bisdom.” Ja, ik geef het toe, het is een ongepaste uitspraak, zeker tegen een prins der kerk – ik heb hem dan ook vermanend toegesproken. Maar achter mijn baard moest ik er stiekem toch even om grinniken.

Vaarwel, Adrianus. Over de enorme brug van zestienhonderd jaren kwam ik voor u staan. Wat ik u bidden mag: geef uw gelovigen die verhalen terug en bouw zo een brug naar uw trouwe parochie. Want is dat niet onze taak, de uwe en de mijne, als pontifices, om bruggen te bouwen?

Nicolaas

Nico ter Linden is auteur en emeritus-predikant. Hij is vooral bekend van de serie ‘Het verhaal gaat’ waarin hij bijbelverhalen op eigen wijze hervertelt. Deze open brief aan Simonis, een speelse uiteenzetting van de narratieve theologie, verscheen in december 1994 in dagblad Trouw. Goedgelovig ontving toestemming van Ter Linden voor deze herpublicatie.

Advertenties

7 responses to “Een schrijven van Sint Nicolaas”

  1. Rien (de enige echte) says :

    Prachtig! 🙂

  2. Hab says :

    Hij kan wel goed schrijven, die Nico ter Linden.

  3. Richard says :

    Amen

  4. Ettje says :

    Gut, nooit gedacht dat jullie de instemming van een dominee nodig zouden hebben om Sinterklaas te kunnen vieren. 🙂
    Kijk m’n hele leven al met verbazing naar al die protestanten die zich 1 dag per jaar onderwerpen aan een bisschop! En waarom? Om cadeautjes en snoep te krijgen! Tismewat!

  5. Ettje says :

    Trouwens, de brief van ter Linden is meesterlijk!
    En kinderen die er door van hun geloof zouden vallen, daar heb ik nooit in geloofd. Net zo min als in die Schijnheilige.

  6. Hendrik says :

    Met kleverige vingers van de banketletter nog even een reactie (ja, op een computer, niet op een typemachine uit 1994…): ik ben blij met mensen die zich helemaal inleven in de rol van Sinterklaas en mij voorzien van geschenken en vermanende gedichten. Ik ben nog blijer met mensen die de handen en voeten van Jezus willen zijn in deze wereld. Mag dat wel van het-verhaal-gaat-Nico?