Recensie: De Kerk van Ouweneel

Eindelijk eens een stevig theologisch artikel op Goedgelovig. Teun van der Leer, rector van het Baptistenseminarium, recenseert ‘De Kerk van God I. Ontwerp van een elementaire ecclesiologie’ en ‘De Kerk ven God II. Ontwerp van een historische en praktische ecclesiologie’. Beide van Dr. Willem J. Ouweneel, uitgegeven door Medema Heerenveen 2010-2011, resp. 560 en 518 blz., €37,95 per stuk. De titel van het artikel: ‘De Kerk van Ouweneel: Moedig en uitdagend, maar ook eenzijdig’.

DE KERK VAN OUWENEEL

Zo merkwaardig is het niet dat dr. Willem Ouweneel maar liefst twee dikke delen in zijn Evangelisch-Dogmatische Reeks wijdt aan de ecclesiologie. Het betreft hier immers de achilleshiel van de evangelische beweging. Er is bijna geen onderwerp waarover evangelicals meer van mening verschillen, dan over de kerk.

Moed kan Ouweneel dus niet ontzegd worden dat hij zich hieraan waagt, zeker als hij in het Voorwoord zelfs nadrukkelijk zegt te pretenderen een evangelische ecclesiologie te bieden. Maar die moed geldt natuurlijk de hele reeks. Welk individu vanuit welke traditie dan ook is nog in staat in deze tijd zo’n project op te pakken en uit te voeren? De laatste die zich hieraan waagde was dr. Ben Wentsel, die tussen 1981 en 1998 een zevendelige Dogmatiek schreef (waar Ouweneel dan ook regelmatig naar verwijst). En nu gebeurt het vanuit een traditie die helemaal geen dogmatische traditie heeft! De auteur moet dus grotendeels zelf de paden ontginnen en allerlei onvoorziene en nog niet eerder ontdekte voetangels en klemmen zien te vermijden. Dat hij daar niet altijd in slaagt valt hem nauwelijks te verwijten. Je kunt je afvragen of het wat dat betreft nog wel mogelijk – laat staan wenselijk – is om zo’n reeks alleen te schrijven. Iemand met de passie, werkkracht en enorme belezenheid als een Ouweneel komt wel heel ver. Dat hij zich er uiteindelijk toch aan vertilt, ligt behalve in zijn eigen aard, vooral ook in de aard van de theologie. Die vraagt niet om het isolement van de studeerkamer, maar om het laboratorium van de gemeente en het debat van de academie.

Nu kan Ouweneel niet verweten worden dat hij zijn studeerkamer nooit verlaat, integendeel. Wie zijn website ziet met alle spreekbeurten, seminars en conferenties waar hij spreekt en cursussen die hij geeft, vraagt zich af wanneer hij eigenlijk tijd heeft om te lezen en te schrijven. Ook schrijft hij niet alleen. In elk deel worden 10 mensen bedankt die meelezen. Maar dat zijn – voor zover ik het kan beoordelen – geen systematici of bijbelwetenschappers met wie hij echt het debat kan aangaan en die hem grondig van repliek kunnen dienen. Daarom houdt dit project iets van een Alleingang die de theologie (in dit geval de ecclesiologie) heel sterk persoonlijk kleurt.

Spiritualistische trekken

Dat blijkt eigenlijk direct al in de Inleiding, waar hij aangeeft te preken in alle denominaties in alle werelddelen en zich overal in zekere mate thuis te voelen, ‘doordat ik overal verbondenheid met medegelovigen ervaar’. Hij voelt zich dan ook geen hypocriet als hij zich in een PKN-gemeente anders gedraagt dan in een hypercharismatische gemeente, want ‘in al die vormen, van zeer traditioneel tot zeer experimenteel, herken ik iets van authenticiteit en oprechtheid’. Hier ontpopt Ouweneel zich als een echte evangelical: in feite is elke vorm ondergeschikt en ‘dus’ bruikbaar, zolang het authentiek geestelijk is. Als het op de kerk(vormen) aankomt neigen evangelischen – zeker binnen de Vergadering van Gelovigen waar Ouweneel toe behoort – naar spiritualisme. Overigens is het dan wel weer – aangenaam – verrassend dat hij in het tweede deel twee uitvoerige hoofdstukken wijdt aan de liturgie, die ook ingaan op de brede kerkelijke traditie dienaangaande en zelfs een goed woord bevatten voor het formuliergebed. Verder wijst hij er terecht op dat evangelischen net zo goed hun rituelen kennen; ze noemen ze vaak alleen niet zo.

Genoemd spiritualisme vertaalt zich ook door naar de grote nadruk die Ouweneel legt op de onzichtbare ‘transcendente’ gemeente van alle ware gelovigen. Kerk en denominatie vallen nooit samen: ‘Er zijn er velen in de kerk die niet van de Kerk zijn, en velen van de Kerk die niet in de kerk zijn; wie het vatten kan, die vatte het’ (I, 33).

Charismatisch ‘zonder onderscheid’

Het persoonlijke vertaalt zich vooral door in de grote rol die het charismatische en – in het verlengde daarvan – lichamelijk genezing in dit boek spelen. Het is bekend dat Ouweneel in zijn leven een enorme switch heeft gemaakt van sterk anti-charismatisch naar een grote openheid voor en betrokkenheid bij het charismatische, ook in z’n soms extreme vormen. Hij is even pro-charismatisch als dat hij vroeger anti-charismatisch was. Wat jammer is, is dat Ouweneel nergens in dit boek reflecteert op deze ommezwaai. Terwijl hij wel refereert aan de verandering die binnen gereformeerde en evangelische kring is opgetreden t.a.v. het charismatische. Hij noemt dat zelfs ‘frappant’. Het zou winst zijn geweest als hij gepoogd zou hebben om theologisch rekenschap te geven van zijn eigen ommezwaai. Nu wordt het charismatische overwegend kritiekloos en ‘vanzelfsprekend’ opgevoerd en speelt een thema als genezing een wel erg prominente rol voor een boek over ecclesiologie. Ook wordt er niet of nauwelijks onderscheid gemaakt tussen de diverse stromingen en bewegingen. Namen als David du Plessis, Wimber en Kraan worden in één adem genoemd met die van Maasbach, Osborn, Morris Cerullo, Benny Hinn en T.B. Joshua, met enkel de toevoeging ‘ik noem deze bedieningen zonder mij persoonlijk met allemaal of met alle aspecten ervan te identificeren’ (II, 213). Er vindt dus geen enkele weging plaats. Zelf was Ouweneel enkele jaren geleden nauw betrokken bij de toen al zeer omstreden Nigeriaan T.B. Joshua. Nu schijnt hij zich van hem min of meer gedistantieerd te hebben; je hoort hem er althans niet meer over. Het zou boeiend en leerzaam zijn – zowel voor hemzelf als voor de lezer – indien hij dit bijvoorbeeld als casus zou hebben gebruikt om uit te zoeken hoe je binnen het charismatische tot onderscheiding en toetsing kunt komen. Wel bevat het boek acht punten van (stevige) kritiek op de charismatische beweging (II, 38-40) en worden een aantal wantoestanden genoemd (II, 226-227), maar het wordt niet ingebed in een helder theologisch kader, waardoor de aandacht ervoor iets willekeurigs houdt.

Kader en bronnen

Misschien is de afwezigheid van een helder kader wel het grootste probleem in deze ecclesiologie. Zo vindt er nauwelijks weging plaats van bronnen, zowel binnen als buiten de Schrift. Wat het laatste betreft wordt uit een zeer breed scala zonder merkbaar onderscheid geput, van Jimmy Ontoero tot Hans Küng en van Maarten Luther tot Derek Prince en Peter Wagner. Ook wordt geen merkbaar onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire bronnen, terwijl op bepaalde momenten het bronnenmateriaal weer heel mager is. Bijv. als het gaat over kerkvormen in het NT en het al dan niet normatieve van het gemeenteleven in Handelingen. Daar ontbreken Nieuwtestamentici als Schweitzer en Dunn (al wordt de laatste elders wel genoemd) en wordt bijna uitsluitend gevaren op het ‘gezag’ van Derek Prince die zondermeer stelt dat God alles de eerste keer gelijk goed doet en dat ‘dus’ Handelingen ‘het’ gemeentemodel is en dat God ‘nooit een ander model zal accepteren’ (I, 243).

Bovendien lijkt Ouweneel met de geweldige breedte van zijn belezenheid als het op het (ana)baptisme aankomt een blinde vlek te hebben. Dat is zeker in deze delen jammer, omdat als ergens binnen de evangelische beweging sprake is van ecclesiologische bezinning, het hier gebeurt. Van de vroege doperse theologen komen we alleen Menno Simons in het eerste deel een paar keer tegen, maar verder geen spoor van Grebel, Hubmaier, Denck of Willems. Ook hedendaagse doperse denkers als J.H. Yoder, Franklin Littell, Leo Garrett, Nigel Wright, James McClendon (1x), Stanley Hauerwas, Olof de Vries (met zijn ‘these’ over de verhouding tussen kerk en opwekkingsbeweging!) en Miroslav Volf (1x) – die zich stuk voor stuk nadrukkelijk met de ecclesiologie hebben bezig gehouden – komen niet of nauwelijks aan bod.

Ook is mij niet duidelijk vanuit welk hermeneutisch kader Ouweneel de Schrift benadert. Hij zegt in zijn inleiding weliswaar een ahistorisch en atheologisch biblicisme te willen vermijden, maar voert vervolgens op tal van plaatsen losse tekstverwijzingen op om bepaalde beweringen te ondersteunen. Merkwaardig is ook dat hij extra lijkt te hechten aan Mat. 16:18 en 18:17, omdat het daar ‘de eerste keer is dat de ekklèsia in het NT genoemd wordt’ (60). Nog los van de vraag of Jezus zelf dit woord wel gebruikt heeft (Hij sprak immers Aramees), is het zo dat als je al waarde hecht aan wanneer iets voor de eerste keer gebruikt wordt, je dan bij de vroege brieven van Paulus zou moeten beginnen, die immers eerder dan de Evangeliën zijn geschreven.

Misschien heeft de afwezigheid van dat kader er ook mee te maken dat Ouweneel gewoon teveel wil. Het lijkt soms wel of hij bang is iets of iemand te vergeten. Talrijk zijn de lijstjes met ‘pro’ en ‘contra’ argumenten, de lijsten met mogelijke uitleg van het een of het ander en de opsommingen van diverse opties en standpunten. Dat heeft voor de lezer ook iets vermoeiends. ‘In der Beschränkung zeigt sich der Meister’ schreef Goethe. Dat meesterschap zou geholpen hebben om in Ouweneels kerkelijk bos de bomen nog te kunnen zien.

Ziekenzalving als derde sacrament

Nogmaals, er zijn ‘bomen’ die je niet kunt missen. Ik noemde ze al eerder: de charismatische en die van de genezing. Die groeien met gretig enthousiasme soms ver boven de andere bomen uit. Een voorbeeld daarvan is de nadruk die hij (ook weer in het spoor van Derek Prince) legt op de ‘vijfvoudige bediening’ in Efeze 4 die vooral interlokaal zou zijn. Het wemelt op het charismatische erf inderdaad van de rondreizende predikers die zich profeten en apostelen (laten) noemen, maar het is onduidelijk hoe dat moet worden geduid, juist ook in verhouding tot plaatselijke kerken. Maar Ouweneel hecht zonder veel onderbouwing sterk aan ‘het herstel van de apostolische bediening’ dat hij een bijzonder kenmerk van de eindtijd noemt. Hij verbindt dit o.a. met de drie ‘late regen’ teksten uit het OT, op grond waarvan hij nog een grote wereldwijde opwekking verwacht ‘die in geen enkel opzicht denominationeel gebonden zal zijn’ (II, 68). Dit is weer ingebed in een uitvoerig betoog waarin de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3 op het verloop van de kerkgeschiedenis worden geplakt.

Grote nadruk legt de auteur ook op wonderen en tekenen als begeleidende verschijnselen bij ‘authentiek-bijbelse evangelieverkondiging’. Daarbij worden vooral kwantitatieve argumenten gebruikt: ‘Van alle mensen die in onze tijd wereldwijd bekeerd worden, komt 85 tot 90 procent mede door wonderen en tekenen tot geloof’ (I, 338). En: ‘Gods gemeente breidt zich momenteel op aarde voor het allergrootste deel – vermoedelijk meer dan tachtig procent – uit mede door tongentaal en profetie, genezings- en bevrijdingsbediening’ (II, 368). Zelfs als dit waar zou zijn (de cijfers zijn weinig onderbouwd) is de vraag wat de theologische waarde van zo’n bewering is. Is het getal een criterium voor waarheid? Ouweneel verbindt aan zijn kwantitatieve waarneming vergaande consequenties: ‘Als wij ons laten vullen met de Geest, gaat de rest bijna vanzelf (…). De ongelovigen zullen toestromen, nauwelijks naar onveranderde, traditionalistische kerken en gemeenten (katholiek, reformatorisch of evangelisch), maar naar nieuwe gemeenten (…). Slechts radicaal vernieuwde gemeenten zullen wereldwijd de stroom van nieuwe gelovigen kunnen opvangen’ (II, 368).

Een laatste opvallend punt in dit verband is dat Ouweneel de ziekenzalving nadrukkelijk tot derde sacrament verheft, omdat daaraan stoffelijke substanties (olie) te pas komen, net als bij doop (water) en avondmaal (brood en wijn). Dat de ziekenzalving niet – zoals doop en avondmaal – teruggaat op een rechtstreekse instelling door Jezus, ondervangt hij met een verwijzing naar Marcus 6:13. Vervolgens geeft hem dit de gelegenheid om de ziekenzalving uitvoerig in een tweetal hoofdstukken aan de orde te stellen (evenals het avondmaal, de doop zal in een later deel volgen). Ook hier weer lange lijsten van opsommingen, zoals de nodige condities bij resp. de voorbidders, de zieken en de omgeving. Genezing dient de regel te zijn, niet genezen de uitzondering. Voor dat laatste worden dan weer zeven mogelijke belemmeringen opgevoerd, die stuk voor stuk op het bordje van de zieke liggen, al blijft ook de bedienaar niet buiten schot. Toch is ook daar nog niet alles mee gezegd, want ‘soms is aan alle genoemde voorwaarden voldaan’ (let op de terminologie, genezing is bijna maakbaar) en ‘vindt er toch geen genezingswonder plaats’. Dan zou het tot de ‘verborgenheden in Gods regeringswegen’ kunnen behoren, al blijft de zieke er goed aan doen zich (weer!) af te vragen of er misschien zonde in zijn leven is waardoor de Here hem kastijdt (II, 201).

De kerk van Ouweneel

Het zal de lezer inmiddels duidelijk zijn dat ik met ‘de kerk van Ouweneel’ duidt op de hierboven beschreven sterk persoonlijke kleuring van dit boek. Gekleurd door de eigen biografie en de eigen (veelal recente) ervaringen binnen tal van kerken en bewegingen wereldwijd. Maar wat is nu die kerk van Ouweneel? Als ik het goed zie is dat een niet denominationeel gebonden kerk met een sterk charismatische inslag, open voor radicaal nieuwe vormen en (daardoor) met groot missionair effect. Dat is inderdaad een dynamische ecclesiologie (zoals hij m.i. terecht bepleit in zijn Inleiding) en in die zin ook zeer uitdagend. De poging om oude tegenstellingen te overstijgen en onbelast door een bepaalde traditie naar nieuwe ecclesiologische wegen te zoeken, is mij sympathiek en is ook hard nodig. Dan is het extra jammer dat alle kaarten zo eenzijdig gezet worden op een bepaalde vorm van radicale vernieuwing richting een geprofeteerde opwekking gebaseerd op een speculatieve uitleg van Openbaring 2 en 3. Dat is wat mij betreft niet de evangelische ecclesiologie die we nodig hebben. Als ik het een naam moet geven dan zou ik het een vrije charismatische ecclesiologie noemen. Voor een evangelische ecclesiologie is er nog steeds veel huiswerk te doen.

Met toestemming overgenomen uit Soteria december 2011. Teun van der Leer is rector van het Baptistenseminarium. Hij groeide op in de Vergadering van Gelovigen en was ook enige tijd voorzitter van de Evangelische Alliantie.

Advertisements

25 responses to “Recensie: De Kerk van Ouweneel”

  1. Pieter says :

    Mooi geschreven artikel, inderdaad ontbreekt de uitleg van Ouweneel over zijn ”ommezwaai” ik weet dat in het verleden bijvoorbeeld hij een behoorlijke afkeer had van zowel Johan en David Maasbach. Afgelopen jaar is Ouweneel regelmatig op visite geweest bij de JMWZ, ook voor interviews, ik zelf vond het meer een manier om aandacht te krijgen voor zijn eigen ”zaak” en natuurlijk zijn boeken…dit zelfde was ook het geval met de ”return” Gert Timmermans, ook hij kwam opeens bij de JMWZ, en even later een boek en een album ..dus in mijn simpele beleving allemaal weer eigen voordeel en belangen, om deze belangen te behalen, gaat men zonder problemen ”grenzen” over…kijk naar de ommezwaai van Ouweneel.
    Wees gegroet,
    Pieter

  2. aafke says :

    Zoals je van Teun van der Leer kan verwachten een gedegen stuk, met respect geschreven en goed onderbouwd.
    Ouweneel heeft de kritiek op hem in de afgelopen paar jaar gepareerd door te zwijgen of zich ietwat verongelijkt af te wenden.
    Ik ben benieuwd of hij op de opmerkingen van Van der Leer een reactie gaat geven.

  3. Pippi says :

    Kleine wijziging; het seminarium staat niet meer in Bosch en Duin.

  4. Pippi says :

    Te snel verzonden.
    Seminarium en het uniebureau huizen al een tijdje in Barneveld.

  5. bramvandijk says :

    Interessant, maar ook weer niet interessant genoeg om de boeken te kopen.

    Opvallend is vooral dat Ouweneel blijkbaar de bedoeling heeft gehad om er geen persoonlijk boek van te maken, maar een min of meer objectief boek over hoe verschillende mensen tegen de kerk aankijken. Maar ja, zul je altijd zien dat je dan alsnog op je eigen (huidige!) stokpaardjes uitkomt. Dat maakt dat het toch wel interessant zou zijn geweest als hij iets over zijn persoonlijke ommezwaai had verteld.

    En ja, als cijferfetisjist wordt ik ergens blij maar uiteindelijk vooral diep ongelukkig hiervan:

    ‘Van alle mensen die in onze tijd wereldwijd bekeerd worden, komt 85 tot 90 procent mede door wonderen en tekenen tot geloof’ (I, 338). En: ‘Gods gemeente breidt zich momenteel op aarde voor het allergrootste deel – vermoedelijk meer dan tachtig procent – uit mede door tongentaal en profetie, genezings- en bevrijdingsbediening’ (II, 368). Zelfs als dit waar zou zijn (de cijfers zijn weinig onderbouwd) is de vraag wat de theologische waarde van zo’n bewering is. Is het getal een criterium voor waarheid?

    In tegenstelling tot Teun van der Leer vind ik de kwantitatieve aanpak mooi en bruikbaar. Inderdaad is het natuurlijk geen criterium voor waarheid, maar wat is dat wel? Uiteindelijk is zo’n heel boek ook een opsomming van “die vind dit” en “die andere vond dat” en lijsten met argumenten die historisch voor bepaalde posities zijn gegeven. Dus dan ben je al meningen van mensen aan het wegen. Waarom dan ook niet kijken naar de resultaten van verschillende aanpakken en de meningen van de leken?

    Maar ja, ten eerste vind ik op het eerste gezicht de cijfers nogal ongeloofwaardig, en ten tweede geeft Van Leer al aan dat ze gebrekkig onderbouwd zijn. Dan gaat het er dus sterk lijken op een “Stapeltje”: je hebt een leuk idee en verzint er wat data bij. Diep triest wordt ik daarvan…

    En als laatste punt toch de manier van omgaan met de bijbel, dit voorbeeld zegt mijns inziens genoeg (speciaal voor Wilfred met een verwijzing naar het Aramees 😉 ):

    Merkwaardig is ook dat hij extra lijkt te hechten aan Mat. 16:18 en 18:17, omdat het daar ‘de eerste keer is dat de ekklèsia in het NT genoemd wordt’ (60). Nog los van de vraag of Jezus zelf dit woord wel gebruikt heeft (Hij sprak immers Aramees), is het zo dat als je al waarde hecht aan wanneer iets voor de eerste keer gebruikt wordt, je dan bij de vroege brieven van Paulus zou moeten beginnen, die immers eerder dan de Evangeliën zijn geschreven.

    Dit zijn fouten die je zelfs van een eerstejaars theologiestudent niet zou tolereren. Typisch evangelisch om een standpunt te hebben en daar de teksten bij te verzamelen die dat kunnen onderbouwen. Onbegrijpelijk voor een man die wel degelijk veel kennis heeft en ook de nodige hersens om dat toch in te zien… zou je zeggen…

    En zeker aangezien hij op een aantal punten zij mening al compleet heeft herzien zou je verwachten dat hij iets minder vastzit aan zijn bestaande standpunten.

    Dus ja, jammer, maar tegelijkertijd toch nog steeds bewonderenswaardig.

  6. maartenhertoghs says :

    @bram: “Typisch evangelisch om een standpunt te hebben en daar de teksten bij te verzamelen die dat kunnen onderbouwen”

    Toch een beetje voorzichtig zijn met zo’n uitspraken… Wie weet zijn er evangelischen die het anders aanpakken!

  7. henkjan37 says :

    @ maartenhertoghs

    dat doen alle evangelischen! altijd! schuim der aarde is het!

    😛

  8. TommyLee says :

    Ik weet niet wie Bram allemaal tot de evangelischen rekent, maar ik ben het met hem eens. Het is in veel kringen vaste prik dat er bijbelteksten bij een onderwerp (of stokpaardje) gezocht worden. Nu komt het voor dat in de concordantie 5 teksten pro en 5 teksten tegen jouw standpunt getuigen.dan worden alleen de 5 pro geciteerd uiteraard. Soms geeft een andere vertaling een “mooiere” uitleg. dan wordt die er bij gehaald. Tuurlijk ook nog uit de context gelicht.

  9. bramvandijk says :

    @maartenhertoghs
    Inderdaad niet heel erg genuanceerd. Maar laat ik stellen dat evangelischen ten opzichte van protestanten meer de neiging hebben om uit de hele bijbel losse verzen bij elkaar te rapen en de protestanten ten opzichte van evangelischen meer de neiging hebben om hele hoofdstukken te gebruiken, of de strekking van een verhaal of zo.

    En dat leidt vanzelf weer tot bijbelgebruik met minder context en dus een verhoogde kans tot herinterpretatie bij een al bestaande opvatting.

    Geldt natuurlijk niet voor ieder individu, en waar de grens ligt tussen die twee groepen is ook niet altijd heel duidelijk, maar als vuistregel geloof ik dat die best klopt.

    Zo beter?

  10. Wilfred says :

    @Bram: “En als laatste punt toch de manier van omgaan met de bijbel, dit voorbeeld zegt mijns inziens genoeg (speciaal voor Wilfred met een verwijzing naar het Aramees 😉 ): ”

    Dank je, fijn dat je die discussie weer opent. Ik had er namelijk nog wel wat over op te merken… 🙂 (grapje, nu even niet)

    Ik vind het artikel van Van der Leer goed onderbouwd. Misschien komt dat omdat hij op een aantal punten die ik ook zwakke plekken in deze reeks vind de vinger op de zere plek legt?

    “Ook is mij niet duidelijk vanuit welk hermeneutisch kader Ouweneel de Schrift benadert. Hij zegt in zijn inleiding weliswaar een ahistorisch en atheologisch biblicisme te willen vermijden, maar voert vervolgens op tal van plaatsen losse tekstverwijzingen op om bepaalde beweringen te ondersteunen.”

    Dat is voor mij ook de primaire tekortkoming voor de hele reeks. Waarom is er geen prolegomena waarin de hermeneutische kwestie verkend en verhelderd worden? We moeten nu maar uit de reeks afleiden hoe Ouweneel daar in staat en worden in dat opzicht (zoals van der Leer ook opmerkt) in het duister gelaten…

    Ook de opmerkingen over de ommezwaai zijn terecht. Dat geldt overigens meer terreinen. De ommezwaai in zijn houding t.a.v. de messiaanse joden is een ander voorbeeld. Zijn boek over de brief aan de Galaten (en zijn eerdere commentaar over Hebreeen) dienen grondig te worden herschreven…

    Jammer ook dat een interessante schrijver als Volf (‘After Our Likeness: The Church As The Image Of The Trinity’) niet inhoudelijk in de discussie wordt betrokken… 😦

    “Ook wordt geen merkbaar onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire bronnen, terwijl op bepaalde momenten het bronnenmateriaal weer heel mager is. Bijv. als het gaat over kerkvormen in het NT en het al dan niet normatieve van het gemeenteleven in Handelingen.”

    Ook weer een terecht punt. Ouweneel en consorten (wat dat betreft staat hij nog altijd in de lijn van mensen als John Nelson Darby en William Kelly) veronderstellen gewoon dat Handelingen prescriptief is. Zo lezen ze tenslotte altijd de bijbel. Behalve wanneer het ze niet uitkomt… 😦

  11. jezeijl says :

    LOL ik las eerst bij de titel: Recessie i.p.v. Recensie… wordt de titel een stuk interessanter 😉

  12. Pieter says :

    Jullie zijn slecht geïnformeerd: het seminarium zit tegenwoordig in Barneveld.

  13. Pieter says :

    Een beetje aanmatigend van Teun, om het over ‘de kerk van Ouweneel’ te hebben. Alsof dat niet de kerk van God zou zijn.

    Is de ‘kerk van Teun’ wel de kerk van God? Of de ‘kerk van de Baptisten?’, is dat de kerk van God? Zoets van: Baptist, dat ist!

  14. henkie says :

    baptist, tot in de kist

  15. Pippi says :

    Pieter, zie mijn reactie bovenaan 😉

    Ach. De kerk van Ouweneel, de kerk van Teun, Sjoerd, Peter; zou God per soort kerk een plan hebben?
    De kerk van Teun moet vol studenten, handig voor Peter want die werkt voor die kerk en voor pkn-ers heeft Hij vast een ander planvariant.
    Ik wil ook een eigen kerk. Kan dat geregeld worden?

  16. Pittig says :

    @ Pieter

    Je moet dat niet zo letterlijk nemen. “De kerk van Ouweneel” is een standaarduitdrukking voor “de kerk zoals Ouweneel die ziet”.

    En iedereen heeft een andere visie op wat de kerk is en wie er bij hoort. Dus zo vreemd is het niet om te spreken over “de kerk van Ouweneel”.

    Of denk jij dat iedereen precies hetzelfde bedoeld met het woord “kerk”?

  17. Spoorzoeken says :

    Als relatieve buitenstaander een aantal simplistische observaties, zonder gehinderd te worden door enige voorkennis.

    Vooropgesteld: in mijn jeugd heb ik een aantal boeken van Ouweneel gelezen waar ik toen bijzonder veel aan had. Later las ik doorgaans met belangstelling diens artikelen in B&W en Ellips. Van mij dus geen kwaad woord over de goede man z’n intenties (en kunnen…).

    Edoch, jammer vind ik wel dat hij als ‘supposed leading evangelical’ zonder schroom een zogenaamde theologische reeks publiceert, met de suggestie van een gezaghebbend evangelisch theologisch handboek. Het is mij daarvoor simpelweg te solistisch allemaal en te pretentieus, om het zo maar te benoemen.

    Die hier al geuite kritiek op zijn bronnengebruik vind ik verontrustend. Het komt me inderdaad als typisch evangelisch voor. Eenzelfde soort van bevlogen aanpak en curieuze mix van citaten en verwijzingen vind je bijvoorbeeld in het boek ‘Volg jij Mij’, van Hans van der Lee. Irritant alleen al, omdat zo duidelijk wordt dat deze theologische reeks meer een samenraapseltje lijkt van wat de schrijver zelf aanspreekt en/of belangrijk vindt. Wat mij betreft maakt deze serie boeken dus niet waar wat het suggereert te zijn, namelijk een doorwrochte en systhematisch evangelisch-theologische reeks. De evangelischen hebben in meer dan één opzicht geen duidelijk herkenbare eigen traditie. Deze reeks gaat dat gat niet vullen. Helaas, maar laat dan in ieder geval duidelijk blijken wat de status en oorsprong van je bronnen is. En je methodologie, dan wel “hermeneutisch kader”, zoals hier eerder al genoemd.

    En dan nog een vraagje: wie leest deze boeken nu eigenlijk? De vakbroeders dus, maar voor hen heeft de ‘bevlogen’ aanpak van Ouweneel blijkbaar geen overtuigende meerwaarde. Ik als (evangelische) leek vertrouw de kwaliteit van het gebodene al niet genoeg, laat staan de kenner.

    Ouweneel kan wat mij betreft gerust een goed informatief boek schrijven, als maar voldoende duidelijk is dat het om ‘gewoon’ weer een boek gaat. In de olifanten reeks bijvoorbeeld. 🙂 Hij is zo’n enorme veelschrijver, dat ik me telkens afvraag hoe hij het toch steeds weer klaarspeelt i.p.v. dat ik nieuwschierig word naar de inhoud van zo’n theologisch boek. Maar goed, maybe that’s just me. 🙂 Op mij maakt Ouweneel in ieder geval de indruk dat het hem allemaal maar weinig moeite kost en dat hij mogelijk uit verveling, dan wel uit een welhaast onbeheersbare schrijversdwang zijn boeken schrijft. Hoe dan ook, we kunnen nog veel van Ouweneel verwachten. Ik vermoed nog een boek of twintig, op z’n minst.

  18. Pittig says :

    @ Spoorzoeken

    Scherp stukje met zinnige argumenten, bijvoorbeeld deze zin: “wie leest deze boeken nu eigenlijk? De vakbroeders dus, maar voor hen heeft de ‘bevlogen’ aanpak van Ouweneel blijkbaar geen overtuigende meerwaarde.”

    Vergelijk ook mijn opmerking hier waar ik alle tot nu toe verschenen delen met aantal bladzijden noem…

    Als een soort naslagwerk zal het nog wel gebruikt worden, maar (met de woorden van B.A. Baracus) “Pity the fool” that reads them all!

  19. Pippi says :

    @Pittig; welnee. Ik kwam een beetje eh liederlijk (woord van de dag) uit onze eigen kerk. Overigens is “de kerk” in de media 9 van de 10 keer de katholieke kerk, en dat vind ik zo jammer klinken maar daar gaat het nu even niet over. Gevaarlijk, liederlijke buien 😉

  20. Pittig says :

    @ Pippi

    Anders begin je de PLK? Pippi’s Liederlijke Kerk?

  21. goedgelovig says :

    @Pieter en Pippi: Is aangepast.

  22. biblo says :

    @Pittig: ik denk (weet vrij zeker) dat de vakbroeders van Ouweneel hem helemaal niet serieus nemen, (en waarom zouden ze ook?) behalve als een interessant ‘fenomeen’ misschien.

  23. Jan Bus says :

    Nu maar hopen dat niemand het gaat lezen, Ouweneel heeft al voor genoeg ellende gezorgd.

    We gaan gewoon lekker de Bijbel lezen, daar leren we wie God is.

  24. Ari B says :

    Een respectvolle benadering van Ouweneel! Is mijn Goedgelovig nog wel goedgelovig?

  25. Shaul says :

    Ouweneel praat met een scheve mond, wat duidt op een valse tong.
    Met het schrijven van zijn boeken zal het wel niet veel anders zijn.